Mullah nasrudinNasrudin en de overjas

Mullah Nasrudin was juist ontwaakt van een dutje. Toen hij naar de lagere verdieping van zijn huis wilde gaan, struikelde hij en viel met veel geraas van de trap.

“Wat gebeurt er met je?” riep zijn vrouw, opgeschrikt door het lawaai, vanuit de keuken. “O niets”, riep Mullah terug terwijl hij met moeite opstond. “Mijn overjas viel van de trap”. “Je jas? En wat was al dat lawaai dan?”

“Dat lawaai kwam omdat ik in de jas zat”.

 


Soms is het buitengewoon verhelderend om de oorsprong van woorden te weten. Voor zover dat opgaat voor lastige woorden op deze site heb ik ze opgenomen in het onderstaande etymologisch woordenboek.

 

 

 

 

ETYMOLOGISCH WOORDENBOEK 

 

archetype

(G. archetupon = oorspronkelijk beeld of model. arche= begin, topas= het gevormde, het ingeslagene)

Oerbeeld

   
Constateren

(G. con-stare = vastzetten)

Vaststelling (na waarneming)

   
contradictie in terminus

(L. contradictio v.contra-dicere = tegen-spreken,in teminis = tussen de termen)

tegenspraak tussen de termen (van bijvoorbeeld een redenering)

   
determinisme

(L. de-termináre = begrenzen v. terminus = grens)

De leer dat de menselijke handelingen bepaald zijn door voorafgaande oorzaken of door motieven met uitsluiting van de vrije wil.

   
devoot

(L. = de- vovére , de-vótum = toewijden aan godheid)

toegewijd zijn.

   
devotie

(L. Devótio)

godvruchtige aandacht, verering.

ego

(L. ego=ik)

Het als centrum ervaren deel van/binnen het bewustzijn.

   
eidos

(G. eidoo = zien, eidos = vorm, voorkomen of gestalte)

Heeft betrekking op het aanschouwend waarnemen

   
ektype

(G. ek = uit, topas = het gevormde, het ingeslagene)

Model of type dat is afgeleid van het oorspronkelijke type of oerbeeld.

   
empathie

(G. en = in, patheia = aangedaan zijn, pathos = wat men ondergaat, aandoening, stemming, hartstocht.)

het zich invoelen in een ander.

   
empirie

(G. empeiria = ervaring, v. peiraoo= beproeven)

ervaring, ervaringsleer.

   
empirisch

(zie empirie)

volgens ervaring, volgens waarneming of proefneming.

   
empirisme (zie empirie) kennis gegrond op ervaring, wijsgerig stelsel dat verstandelijke (meer “redelijke” dan “rationalistische”) benadering van vooral fysische problemen voor staat.
   
entelechie

(G. entelecheia = en telei echoo = in volkomenheid houden (zijn); telos = einde, doel)

Het in werkelijkheid komen of zijn van wat in aanleg was. Ontwikkelde volkomenheid.

De geest die het lichaam bezielt en zo maakt tot het levend zijn en het tot omwikkeling en volmaaktheid leidt.

   
entropie

(G. en-, entropè = omzetting, v.trepoo = wenden)

In de sterrenkunde, de gelijkmatige toestand in het heelal door vermindering van energie verschillen.

In de natuurkunde, de tendens naar een gelijkmatig niveau van energie.

   
essentie

(L essentia (vertaling van G. usia) afgeleid van esse = zijn)

Het wezen, de kern, dat waar het op aan komt

   
extraversie

(L. éxtera= aan de buitenkant, L. vértere = keren of wenden)

Op de buitenkant of buitenwereld gericht zijn

   
fasces

(L. fascis, fasces = bos, bundel)

meer speciaal als een bundel stokken met een bijl in het midden.

   
fascineren (L fascinare = snoeren, boeien, fascinum = betovering, verblinding).
   
fase (G. phasis = verschijningsvorm, phainooi = (ver)schijnen) trap van ontwikkeling).
   
heilig (van Germ. Heilan = helen)
   
holisme (G. Holos = Geheel)
   
idealisme

(zie idee en ideaal)

  1. wijsgerig stelsel lerend dat de bestaande dingen slechts een schijnbestaan bezitten en afbeeldingen zijn van ideeën, de ware zijnden die bestaan in de Goddelijke Rede (b.v. Plato.).
  2. wijsgerig stelsel lerend dat de waarneming niet beantwoordt aan het voorwerp maar aan de immanente denkvorm, dat het waargenomene dus uit ideeën bestaat en het voorwerp dus geen zelfstandig individueel bestaan heeft. (b.v. Kant)
   
ideaal

(zie idee)

  1. zn volmaakt beeld dat men van iets vormt, droombeeld dat men nastreeft.
  2. bn beantwoordend aan een ideaal, volmaakt
   
idee

(L. idea = voorstelling, ideaal; G. idea = uiterlijke verschijningsvorm, voorkomen, gesteldheid, hoedanigheid., afkomstig van de stam id = zien)

Gedachte, denkbeeld, voorstelling, begrip, inval.

   
individu

(L. in-dividuus= on-gedeeld)

Ondeelbaar, op zichzelf staand wezen

   
infernaal

(L. infernalis = onderaards, tot de onderwereld (infernum) behorend)

De onderwereld, de Hel, de plaats van afschuw.

   
informeren

(L. in- formáre = in vorm brengen)

zich vormen door inlichtingen in te winnen.

   
- logie

(L. logia, G. logia = leer, kunde, v. Logos = woord, rede, leer, verhandeling ), kunde.

   
mystagogie

(L. mystagogia, zie mysterie enagoo= voeren, leiden)

inwijding in de mysteriën.

   
mystagoog

(zie mystagogie)

de mysteriemeester, de leidsman, degene die de myste inwijdt in de mysteriën.

   
 myste

(zie mysterie)

de leerling, degene die ingewijd wordt in de mysteriën.

   
mysterie

(L. mysterium, G. musterion, v. mustés = ingewijde, v. muoo = sluiten (ogen of lippen)) geheim, geheimenis.

(R.K.) een geloofswaarheid die niet met het natuurlijke verstand doorgrond kan worden.

Een geheime leer en eredienst in de oudheid.

   
mystiek

(L. mysticus, G. mustikos)

de wetenschap van de vereniging der ziel met God.

   
mythe

(G. muthos= woord, verhaal, spec. fabel)

verhaal over goden of halfgoden.

   
mythologie

(G. muthologia; zie ook - logie )

leer der mythen, godenleer.

   
pathos

(G. vanpaschoo = ondergaan)

wat men ondergaat, aandoening, stemming, hartstocht maar ook lijden, ziekte lot enz.

   
persona

(L. per sonare = er doorheen klinken)

Oorspronkelijk: masker van toneelspeler in gewijd drama

karakter, rol

   
religie (L. religio, mogelijk verwant metre-ligare = aan-binden)
   
realia

(L. realis van L. res=zaak)

Concrete zaken

   
realisme

(zie realia)

  1. Wijsgerig stelsel die leert dat ons kennen beantwoordt aan de dingen buiten ons, tegenover idealisme (bv Aristoteles).
  2. Wijsgerig stelsel die aan universele begrippen werkelijkheidswaarde toekent, tegenover nominalisme.
   
sympathie

(G. sum-patheoo= mede-ondergaan)

meegevoel, mede ondergaan, zielsverwantschap, gelijk van gevoelens.

   
transformatie

(L. trans-formáre = om-vormen)

andere vorm geven.

   
unificatie (L. Unus-fácere= een maken).
   
universalia

(L. Univérsalis)

tot het geheel behorend, in de eenheid zijn.

   
universiteit

(L. Univérsitas)

het geheel, gezamenlijk, een verzameling samenhangende aspecten.

   
universum (L. onz. van Univérsus) het geheel, het heelal.