Mullah nasNasrudin en de tijgers

"Hodja, waarom strooi je toch altijd broodkruimels in je tuin?"
"Om de tijgers weg te houden."
"Maar Hodja, er zijn hier in de wijde omtrek geen tijgers te vinden…!"
"Dat bedoel ik. Effectief, of niet soms…?!"

 

 

 


 

 

 

ENCYCLOPEDIE

 

Descartes, René

(Lat.: Renatus Cartesius) Frans wijsgeer, wiskundige (1596-1650). In de onzekerheid van zijn tijd wilde Descartes de wijsbegeerte verankeren in een vast uitgangspunt. Daartoe hanteerde hij de "methodische twijfel". Aan alles moet getwijfeld worden, tot ik stoot op iets, dat onbetwijfelbaar is. Dit onbetwijfelbare is het cogito (ik denk). Het is zeker dat ik denk, want ook als ik twijfel, denk ik. Maar als ik denk, dan besta ik ook: Cogito ergo sum. Aldus stoot ik op de werkelijkheid van mijn 'ik', het ik van mijn bewustzijn. In dit bewustzijn is echter de ervaring gegeven van wat geen bewustzijn is. Aldus staat de stof tegenover het bewustzijn.

Maar zoals het bewustzijn opgaat in het denken, zo gaat de stof op in de uitgebreidheid: stof en uitgebreidheid zijn identiek. De tegenstelling tussen denken (bewustzijn) en uitgebreidheid (stof) is voor ons mensen van kardinale betekenis. Zelf immers zijn wij een tweeheid van ziel en lichaam, d.w.z. van denken en uitgebreidheid. Voor de zich in de ervaring onweersprekelijk aandienende eenheid van de mens zoekt Descartes langs verschillende wegen een verklaring.

Het ging Descartes erom, een sluitend wijsgerig denken te ontwikkelen, dat alleen gebouwd is op heldere, en duidelijke ideeën: 'idées claires et distinctes'. Descartes' invloed op de moderne wijsbegeerte maar ook op meet-, natuur- en geneeskunde is aanzienlijk geweest. Hij schreef: Discours de la méthode (1637); Meditationes de prima philosophia (1641); Principia philosophiae (1644); Traité des passions (1649).

Dionysius de Areopagiet

Een van de toehoorders die zich op Paulus' prediking te Athene bekeerden (Hand. 17:34). Als geschriften van deze Dionysius dienen zich aan een groep van 4 werken (Over de goddelijke namen , Over de mystieke godgeleerdheid , Over de hemelse hiërarchie , Over de kerkelijke hiërarchie) en 11 brieven, die echter pas tegen het einde van de 5de eeuw zijn geschreven, waarschijnlijk in Syrië. Zij beogen een dieper inzicht in de christelijke heilsleer en vooral in de opgang naar en de vereniging met God te geven met behulp van categorieen uit het latere neoplatonisme. Daarbij worden weliswaar de fundamentele tegenstellingen tussen christendom en neoplatonisme niet verdoezeld, maar toch openbaart zich het gevaar van zulk een vertaling van het christendom in vreemde begrippen. De esoterische teksten werden zowel in de Griekse wereld (Maximes Confessor) als in de Latijnse (Johannes Scotus Eriugena) becommentarieerd en gedurende de Middeleeuwen door de belangrijke theologen gebruikt (Thomas van Aquino); zij hebben m.n. de Middeleeuwse mystiek sterk beïnvloed. Pas in de 15de eeuw werd hun echtheid in twijfel getrokken en spreekt men over de werken van Pseudo-Dionysius.

Eliade, Mircea

Eliade was een godsdiensthistoricus en wel een van de belangrijkste van de vorige eeuw. Maar als je het grote oeuvre dat hij heeft achtergelaten bekijkt was hij veel meer: schrijver, fenomenoloog, antropoloog, yogakenner.

Vertaler Hans Andreus noemde hem in zijn inleiding bij "De magie van het alledaagse" een dichter. Hij was geen koele, wetenschappelijke waarnemer die van buitenaf de verschijnselen die hij bestudeerde beschreef. Hij beschrijft van binnenuit wat hij waarnam. Hij sloot zichzelf niet uit. Je zou hem kunnen omschrijven als een wetenschappelijke ervaringsdeskundige die met een groot gevoel voor taal beelden kon oproepen. In die zin zou je hem en magiër kunnen noemen. Maar door zijn eruditie, bronnenverantwoordingen, kortom zijn wetenschappelijke instelling, verliest hij zich nooit in, wat Andreus noemt, wazige verten. (M. van den Boom noemt het de "ervaringsmatige benadering".) Maar hij blijft wel hopen dat onze wereld eenmaal weer een 'geheiligde' zal zijn.

De taal van de godsdienst was tot vrij kort geleden de symboliek, de universele transcedente "taal". De godsdienshistoricus Eliade heeft daar royaal verslag van gedaan waarbij ook hij gebruik heeft gemaakt van oerbeelden en symbolen. Maar levend in het midden van de twintigste eeuw heeft hij zich niet ontrokken aan vernieuwende ontwikkelingen van bijvoorbeeld de zielkunde. Over zijn stranden klotsen de golven van sociologie, psychologie en de letteren. Boven Eliade was de hemel en om hem heen de aarde en de mensheid. Zonder daar expliciet over te zijn geweest ademen zijn boeken een verbondenheid met beide elementen.

Emanatieleer, emanatisme

(Lat., emanare, uitvloeien, uitstromen) Wijsgerig-godsdienstige opvatting, volgens welke de eindige dingen krachtens een zich met noodzakelijkheid voltrekkend proces uit het hogere, het oerwezen, d.i. God, voortkomen. Het ontstaan der dingen is dus de zelfontplooiing van de godheid; zij blijven ook bij hun emaneren besloten binnen de godheid, maar zij boeten aan volmaaktheid in, naarmate zij verder van de bron verwijderd zijn. Tegelijk is de wezensovereenkomst tussen God en de wereld oorzaak, dat de dingen en in het bijzonder de mens van nature streven naar de terugkeer in en de mystieke eenwording met de godheid. De emanatieleer is m.n. kenmerkend voor het neoplatonisme en zij heeft sinds Plotinus vele filosofen geboeid. Men kan haar beschouwen als een tussenvorm tussen pantheisme en scheppingsleer.

Hartmann, (Karl Robert) Eduard von

Duits wijsgeer (1842-1906). Was tot 1865 officier, daarna privé-geleerde te Berlijn. Zijn eclectische filosofie beoogt een synthese van de natuurwetenschappelijke inductie resultaten met Schopenhauers pessimisme en Hegels evolutionisme, waarbij hij, met Schopenhauer, wil en voorstelling voor gelijkwaardige attributen van het absolute hield. Hij schreef o.a.: Philos. d. Unbewussten (1869); Phaenomenologie d. sittl. Bewusstseins (1879); Religionsphilosophie (1882); Aesthetik (1886-'87); System d. Philos. im Grundriss (8 delen, 1906-'09).

Hermes Trismegistus

Hermes onderwees dat het universum werd staande gehouden door energieën van tweederangs goden, die de uitvoerders van de Goddelijke Wil waren. Ofschoon Hermes de Eerste Oorzaak niet definiëerde, schijnt hij er toch de voorkeur aan te geven om haar het Oorspronkelijke Denkvermogen of het Hoogste Wezen te noemen, waaruit alle reden voortkomt en de ondersteuner van alle natuurverschijnselen is. Aldus was Hermes in principe monotheïst (geloof in één God) en pantheist in zijn beeld van de tweederangs principes die, uit het Ene te voorschijn komend, de ondersteunende kracht worden welke het vele ten uitvoer brengt.

Hermetica

Een wijsheidsleer die behandeld wordt in teksten geschreven rond het begin van onze jaartelling in het Egyptische Alexandrië. Een aantal van die teksten dateert waarschijnlijk al van voor onze jaartelling. Van de teksten zijn het Corpus Hermeticum ofwel de Hermetische Geschriften, en de Asclepius de belangrijkste. Van de Hermetische Geschriften werden in 1945 drie delen tussen de Nag Hammadi-geschriften gevonden.

In de Hermetische Geschriften worden door onbekende schrijvers de openbaringen beschreven die gedaan zouden zijn aan de driewerfgrote (Trismegistus) Hermes. Hermes belichaamt voor de hermetica wat Christus belichaamt voor het christendom. In deze geschriften zijn denkbeelden uit verschillende culturen opgenomen, die lessen in praktische filosofie bevatten, meestal in de vorm van dialogen tussen Hermes en zijn leerlingen. De leerling moest zijn innerlijke ontwikkeling bevorderen door het bestuderen van deze geschriften, waarin de schijn van de materiële wereld tegenover de goddelijke oorsprong van de menselijke geest geplaatst wordt. Aangezien God in de kosmos verborgen is, moet men de kosmos kennen, want door die kennis kan men tot God komen.

De Hermetische Geschriften werden in de vijftiende eeuw in het Latijn vertaald en beïnvloedden vanaf dat moment de westerse wereld door de holistische visie die eruit naar voren kwam. Deze vertaling wordt gezien als het begin van het westerse esoterische denken. Men dacht de universele leer ontdekt te hebben, de oorsprong van filosofie en religie. Mystiek, theosofie, alchemie en het gedachtegoed van de Rozekruisers zijn beïnvloed door de hermetische filosofie.

Hiërarchie

Het woord hiërarchie betekent feitelijk dat er een stelsel van overdracht van bevoegdheid bestaat binnen een besloten lichaam dat wordt geleid en onderwezen door iemand die het hoogste gezag draagt en de hiërarch wordt genoemd. De naam wordt bijvoorbeeld door theosofen in ruimere zin gebruikt voor de ontelbare rangen en klassen van evoluerende wezens in de kosmos en is op alle delen van het heelal van toepassing; ieder afzonderlijk deel van het heelal staat onder de bezielde leiding van een goddelijk wezen; en alle stoffelijke manifestaties zijn de verschijningsvormen op ons gebied van de handelingen van deze geestelijke wezens die erachter staan.

De reeks van hiërarchieën strekt zich eindeloos in beide richtingen uit. Om zijn gedachten te bepalen kan men zich voorstellen dat men in het midden staat vanwaar zich, omhooggaande, een oneindige reeks van klassen van hogere wezens in allerlei stadia uitstrekt - wezens die steeds minder stoffelijk en meer geestelijk en groter worden - naar een onbeschrijfelijk punt. En daar houdt de verbeelding op, niet omdat de reeks zelf eindigt, maar omdat onze gedachten niet verder reiken. En overeenkomstig deze reeks bestaat er een oneindig lange reeks van wezens in neerwaartse richting - steeds verder omlaag, totdat ook daar de verbeelding ophoudt, eenvoudig omdat onze gedachten niet verder kunnen gaan.

Het toppunt van een bepaalde reeks van wezens is de "goddelijke eenheid" voor die hiërarchie, en dit hoogste wezen is op zijn beurt weer het laagste wezen van de hiërarchie erboven; en zo breidt het zich steeds verder uit - waarbij iedere hiërarchie een facet van het kosmische leven openbaart en iedere hiërarchie als het ware één gedachte van de goddelijke denkers vertolkt.

Aan deze hiërarchieën, beschouwd als reeksen van wezens, werden verschillende namen gegeven. De algemene vorm van de Griekse hiërarchie, zoals men die aantreft bij schrijvers uit de periode voor de opkomst van het Christendom, kan als volgt worden samengevat:

De Godheid zelf (of het geheel van goddelijke levens) is de hyparxis van deze reeks van hiërarchieën, omdat ieder van deze negen stadia zelf een ondergeschikte hiërarchie is. Deze (of iedere andere) negenvoudige hiërarchie hangt als een juweel aan de laagste hiërarchie daarboven die, naar boven geteld, de tiende vormt en die we het supergoddelijke kunnen noemen, en deze tiende vormt het laagste (of, naar beneden geteld, het negende) stadium van nog weer een andere hiërarchie die zich daarboven uitstrekt; enzovoort, tot in het oneindige.

 

Jung, Carl G.

Jung werd in 1875 geboren als een zoon van een dorpsdominee. In 1961 overleed hij, een dieptepsycholoog bekend over heel de wereld. Jungs invloed op het denken van de westerse wereld groeit nog steeds.Dat begrippen als introvert-extravert, animus en anima, schaduw en zelf, synchroniciteit, collectief onbewuste en archetype gemeengoed zijn geworden, wijst erop hoe relevant Jungs ideeen zijn voor onze tijd.Jungs uitgangspunt, dat alles wat de ziel betreft tot 'werkterrein' van de psychologie behoort, typeert zijn brede, in ruimte noch in tijd begrensde, belangstelling voor alles wat de mens raakt.

De psychologie van Jung werd bekend onder de naam: 'Analytische psychologie'. De analytische psychologie kent nauwe verbanden met de culturele psychologie, de godsdienstpsychologie en de mythologie. Jung verrichtte diepgaande studies naar o.a.: Oosterse en Westerse filosofie, religie, Gnosis,alchemie en symboliek. Hiervanuit ontwikkelde hij zijn visie over 'het Individuatieproces', het realiseren van de totaliteit die in de menselijke psyche besloten ligt. Het individuatieproces is niet louter en alleen een intellectuele aangelegenheid, maar een scheppend proces van zelfwording.

 

Kabbala

(Hebreeuws, ook qabbalah of kabala ) "De Traditie" of "de Geheime Leer" - heeft de betekenis van iets dat volgens traditie wordt overgeleverd of doorgegeven van mens naar mens; afgeleid van een Hebreeuws woord dat "ontvangen" of "overnemen" betekent.
De Joodse kabbala bestond als een traditioneel stelsel van leringen lang voordat de tegenwoordige manuscripten ervan werden geschreven. Deze zijn betrekkelijk laat tot stand gekomen en dateren waarschijnlijk uit de Europese middeleeuwen. Eén bewijs voor deze bewering ligt in het feit dat in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling verscheidene kerkvaders van de nieuwe christelijke religie een taal gebruikten die alleen aan de Hebreeuwse kabbala kon zijn ontleend. De uitdrukkingen zijn in sommige gevallen identiek en de gedachtegang in alle gevallen dezelfde.

De Zohar kan het oorspronkelijke en voornaamste boek van de kabbala worden genoemd. De grondslag van de Joodse kabbala was de archaïsche Chaldeeuwse Geheime Leer, een stelsel van occulte of esoterische filosofie dat deels mondeling en deels schriftelijk werd overgedragen. De Joodse kabbala zoals die nu bestaat is, naar vorm en inhoud, geschaad door inlassingen en verminkingen van vele Westerse occultisten, vooral door mystici met een duidelijk christelijke inslag. De kabbala is dus in wezen de theosofie van de Joden, of liever de vorm waarin zij de universele theosofie uit archaïsche tijden doorgaven.

 

Krishnamurti , Jiddu

Geboren op 11 mei 1895 in Madanapalle, een klein dorp in zuid India. De beroemde helderziende theosoof Charles W. Leadbeater merkte de magere en ziekelijke teenager op toen hij op een dag aan het strand speelde. Leadbeater zag het potentieel van de jongen om een groot spiritueel leraar en wereldwijd bekend spreker te worden en nam hem onder zijn hoede. Kort daarna werd hij geadopteerd door Annie Besant , de president van de Theosofische Vereniging en naar Engeland gezonden om zich voor te bereiden op zijn toekomstige rol.

Hij kreeg de naam Alcyone, de helderste ster van de Plejaden om de reïncarnerende individualiteit te benoemen achter de huidige persoonlijkheid Krishnamurti . Hij schreef op 14 jarige leeftijd het boekje “Aan des meesters voeten”.

Vanaf 1929 tot zijn dood in 1986 reisde hij de over de wereld onafhankelijk van enige organisatie, onderwijzend en voordrachten en discussies houdend. Vele van deze voordrachten zijn in boekvorm en als audio- en videotapes gepubliceerd.

Krishnamurti stelt dat er geen pad naar de Waarheid leidt, er geen methode is om de Waarheid te bereiken. Het individu kan alleen een licht zijn voor zichzelf en zijn eigen weg vinden. Tijdens zijn leven stichtte hij enkele scholen op verschillende delen van de wereld. Jonge en oudere mensen kunnen daar samenkomen om wegen te zoeken om volledig intelligente en geïntegreerde wezens te worden.

Hij was de auteur van meer dan dertig boeken waaronder “Het ontwaken van de Intelligentie” en “Commentaren op het leven”. Krishnamurti overleed op 17 februari 1986.

Tien dagen voordat dit gebeurde zei hij: “Zeventig jaar lang heeft die superieure energie – nee – die immense energie dit lichaam gebruikt. Ik denk dat mensen zich niet realiseren wat een geweldige energie en intelligentie door dit lichaam heen kwam. Je zult geen ander lichaam vinden als dit of die opperste intelligentie in werking vinden door een lichaam gedurende vele honderden jaren. Je zult het niet opnieuw meemaken, als het weg is, is het verdwenen”.

Movements

Ongeveer vijfentwintig jaar geleden kwam ik voor het eerst in aanraking met het werk van Gurdjieff en Ouspensky. Via de lessen die ik volgde bij de School voor Filosofie in Amsterdam raakte ik vertrouwd met begrippen als: de mens is in slaap en moet ontwaken; de mens denkt dat hij een eenheid is, maar is verdeeld en heeft meerdere "ikken" die zijn ware natuur bedekken; de mens heeft drie centra, een intellectueel, een emotioneel en een bewegingscentrum, enz., enz. In de lessen werden we uitgenodigd alles wat we te horen kregen te onderzoeken en niets zomaar voor waar aan te nemen of te "geloven". Zo startte er in de dagelijkse praktijk een onderzoek naar de werking van de centra en kwamen er vragen op als: wat ben ik?; wat is de schepping?; wat is mijn functie daarin?

Als lerares lichamelijke opvoeding en jazzdans had ik ook een grote interesse in de werking van het bewegingscentrum en zo begon ik een zoektocht naar waar de verbinding zou kunnen liggen met het "goddelijke" en/of het "spirituele". Tijdens deze zoektocht kwam ik in aanraking met verschillende stijlen en tradities van de klassieke Indiase dans, beoefende ik de Kathak-stijl uit het Noorden van India en de Bharata Natyam uit het Zuiden en leerde de betekenis van de Sanskrietgebeden en de vele verhalen die in deze dansen verteld en uitgebeeld worden. Opvallend in deze tradities is dat de dansen, evenals de Movements, verschillende facetten van de menselijke natuur raken. De gebeden wekken een diepe devotionele houding en ontwikkelen een gevoel van nederigheid en respect voor de ongelofelijke kracht die zowel in je als daarbuiten altijd aanwezig is. De afwisselende en soms zeer ingewikkelde ritmes brengen je in een staat van volledige overgave en tot de beleving van volledig overgenomen te worden. Het lichaam als een prachtig instrument waarin de beweging als "vanzelf" plaatsvindt, als een hartslag en een ademhaling. Datgene waarover je gelezen en waarvan je gehoord hebt wordt een ervaring, en begint ook in het dagelijks leven steeds meer een realiteit te worden. Kortom, eindelijk begin je te "ontwaken". In het "Werk" wordt gezegd dat de mens zijn eigen wereld creëert en ontmoet wat nodig is of gewenst wordt.

In januari 1998 deed ik voor het eerst mee aan een Movementsklas. De les werd gegeven door Wim van Dullemen en nog twee andere mensen van wie ik de namen niet meer weet. Natuurlijk had ik al het één en ander over de Movements gehoord en gelezen, maar ik kon me er geen duidelijke voorstelling van maken. Wat me vooral trof was de grote groep mensen met een enorme concentratie en de prachtige muziek die de bewegingen begeleidde. De uit te voeren bewegingen waren van een grote eenvoud en schijnbaar zonder enige logica. Iedere beweging die voortvloeide uit de vorige was heel anders dan het lichaam uit gewoonte zou willen maken. Dit vereiste een hogere vorm van aandacht en bracht in het begin een mengeling van irritatie en verwondering teweeg, die echter verdween zodra de aandacht werd opgebracht en het lichaam de opgedragen bewegingen volgde.

We oefenden een tableau voor mannen en vrouwen. Dit tableau was van een uitzonderlijke schoonheid, die ontstond zodra de verschillende partijen hun deel op de juiste wijze op de muziek uitvoerden. En dit was slechts het begin. In iedere daaropvolgende les kwam ik in contact met de vele verschillende soorten vormen van de Movements, zoals de "prayers", dervish-dansen, obligatoires, multiplications, enneagram-movements, vrouwendansen, etc.
Met de muziek als ondersteuning en verbinding opende en opent dit een wereld van opperste eenvoud en diepte, waarin de jarenlang opgedane theoretische kennis werkelijk tot leven komt in een ervaren en waarnemen van zowel lichaam, geest en hart. Voor de westerse mens, althans voor de schrijfster dezes, is deze muziek veel toegankelijker en raakt het dieper dan de moeilijke variaties en ritmes van bijvoorbeeld klassieke Indiase muziek.

Overgenomen uit: Een persoonlijk onderzoek door Marijke de Graad

Neoplatonisme

Laatste stroming in de Griekse wijsbegeerte (3de-6de eeuw n.C.). Het is een samensmelting van elementen die aan Plato, Pythagoras, Aristoteles en de Stoa ontleend zijn, maar het heeft daarnaast toch ook een oorspronkelijke, mystiek-religieuze tint. De voornaamste kenmerken zijn: de leer van een hierarchie in het  heelal met aan de top het Ene en onderaan de materie (emanatieleer). Daarbij past de zedelijke eis om zich door extase en asces van de stoffelijke banden te bevrijden en tot zuivere geestelijkheid op te stijgen. De belangrijkste figuur in het neoplatonisme is de filosoof Plotinus. Via Augustinus, Pseudo-Dionysius de Areopagiet en de Arabische filosofen is het neoplatonisme in het Westen doorgedrongen, waar het denken in neoplatonische geest tot in de 13de eeuw de overheersende richting is geweest.

De Neo-platoonse Academie in Florence ontwikkelde een wereldbeeld waarin het menselijk lichaam een afspiegeling vormt van de cosmos. De cosmos bestaat uit een Hemelrijk en een Aards rijk ofwel het Rijk der materie.
Het rijk der materie = il mondo sotterraneo = de "onderwereld".

De menselijke ziel is "gekerkerd" in het lichaam en moet leven in de onderwereld.

De riviergoden zijn verbonden aan de vier rivieren van de onderwereld.
Acheron, Styx, Phlegethon, Kokytos = de vier aspecten van de materie die de ziel op het ogenblik van de geboorte in bloei doen staan.

De vier rivieren van de Hades staan tevens voor de vier elementen.

Als de vier rivieren Il Mondo Sotterraneo (de pure materie) zijn, dan is de tijd de aardse wereld, Il Tempo che consuma il tutto (de alles verterende tijd). De aardse wereld, het rijk der natuur, is opgebouwd uit materie en vorm.

De rivieren zijn de bron van potentiele kwaad. De tijd is de toestand van wezenlijk lijden.

Zo zijn tijd, vorm, materie en geest met elkaar verbonden.

Nietzsche, Friedrich

Duits wijsgeer (1844-1900). Studeerde te Bonn theologie, te Leipzig oude talen. Pas 24 jaar oud werd hij hoogleraar te Basel. Door deelneming (als ziekenverpleger) aan de oorlog 1870-'71 liep hij ziekten op en was in 1879 gedwongen zijn ambt neer te leggen. Hij leefde daarna in Italië. In 1889 openbaarden zich bij hem tekenen van krankzinnigheid. Eerst door zijn moeder, daarna door zijn zuster verpleegd, stierf hij in 1900 volslagen krankzinnig.

In hoge mate is Niezsche door Schopenhauer en Wagner beïnvloed. Hij heeft geen filosofisch systeem opgebouwd, zijn denken gaat achtereenvolgens drie verschillende kanten uit.

Nietzsche was een taalkunstenaar, wiens werk de lezer bijna meer boeit door het meeslepende betoog dan door de inhoud. Zijn wereldbeschouwelijke thesen uit de Zarathustra-periode zijn later door de nazi's als een puur biologisch materialisme geïnterpreteerd.

Plato

Een van de grootste Griekse denkers en schrijvers (427-347 v.C.). Was minder encyclopedisch dan zijn leerling Aristoteles , maar dieper dan deze, bovendien een groot literair kunstenaar. Geboren uit adellijke familie, kwam Plato jong onder de invloed van Socrates, wiens kalmte bij zijn veroordeling en terechtstelling (399 v.C) Plato er toe bracht zijn leven aan de filosofie te wijden. Op reizen kwam hij o.a. in contact met de Pythagoreeërs in Z.Italië en met Dionysius, tyran van Syracuse. In 387 stichtte hij te Athene een school, de Academie, die ten doel had jonge mannen die een politieke loopbaan wilden kiezen, een degelijke wetenschappelijke en wijsgerige vooropleiding te geven. Tot zijn dood wijdde Plato zich (met twee onderbrekingen: nl. twee reizen naar Syracuse, waar hij vergeefs trachtte zijn ideaalstaat te verwezenlijken) aan de leiding van zijn school en aan het schrijven van zijn werken, op een enkele uitzondering na dialogen, waarin Socrates optreedt als een van de deelnemers aan een filosofisch gesprek. Hij werd na zijn dood in de Academie opgevolgd door zijn neef Speurippus, terwijl Aristoteles een eigen school stichtte.

In zijn vroegste dialogen onderzoekt Plato in het voetspoor van Socrates ethische begrippen en bestrijdt hij daarbij de sofisten: met zijn meester is hij ervan overtuigd dat ieder mens min of meer onbewust de kennis van deze begrippen bezit. In de volgende periode ontwikkelt Plato zijn zgn. ideeënleer om te verklaren hoe dit mogelijk is. Zoals gebrekkig getekende driehoeken ons helpen om ons te bezinnen op de meetkundige eigenschappen van "de" driehoek, zo herkennen wij bijv. in dappere daden iets van 'de' dapperheid. De idee (vorm) van de dapperheid, de idee van het goede enz. zijn onstoffelijk, onveranderlijk en onvergankelijk. Wij hebben deze ideeën tijdens ons leven nergens kunnen waarnemen. Onze onbewuste kennis ervan moet dus wel hierop berusten, dat de onsterfelijke ziel de ideeën vóór de geboorte heeft aanschouwd.

Naast de ideeënleer is de leer van de ideale staatsvorm, zoals die wordt uiteengezet in de Staat (Politeia). Overeenkomstig de drie delen of krachten van de ziel die Plato onderscheidt (begeerte, streven naar macht en eer, rede ) en die elk hun eigen deugd hebben (matigheid, dapperheid en wijsheid ) zijn er in de ideale staat drie standen: die van de boeren en ambachtslieden, die van de soldaten en die van de regenten, welke laatsten door jarenlange en diepgaande studie van wiskunde en filosofie gereedgemaakt worden voor hun taak. Aan het einde van zijn leven heeft Plato in de Wetten (Nomo) een staatsregeling ontworpen waarin meer rekening wordt gehouden met de menselijke onvolkomenheid.

De filosofie van Plato, wiens inspiratie overigens tot ver buiten de wijsbegeerte reikt, heeft in de meest pregnante zin al het latere Westerse denken mede bepaald. Zijn trant van denken, gestempeld tot 'platonisme' en 'platoniseren', is sinds Plato's dood steeds levend gebleven.

De overlevering heeft ons alle geschriften van Plato bewaard. Het zijn (in de waarschijnlijke chronologische volgorde): Eutyphron ; Apologie (verdedigingsrede van Socrates); Crito ; Protagoras ; Ion ; Laches ; Lysis ; Charmides ; Gorgias ; Menexenos ; Meno ; Euthydemus ; Cratylus ; Hippias I en II ; Phaedo (over de onsterfelijkheid van de ziel); Symposion (over de Eros); Politeia ; Phaedrus ; Theaetetus ; Parmenides ; Sophistes ; Politicus ; Critias ; Timaeus ; Philebus ; Nomoi ; Epinomis.

Platonisme

De leer van Plato, waarvan de kern de leer omtrent de ideeën is. Ideeën zijn de modellen waarnaar de dingen zijn gevormd en waardoor de wijsgeer zich moet laten vormen (idee van het goede, het ware en het schone). De ideeënleer is aldus de basis zowel van opvoeding en onderwijs als van de staatsleer. De hoogste idee is die van het Goede, bron en oorsprong van al wat er is en van de kennis.

Het platonisme werd voortgezet en verder ontwikkeld in de Academie, de school van Plato, die door Justinianus in 529 n.C. werd gesloten. Het neoplatonisme (Plotinus) oefende grote invloed uit op het christelijke denken (Augustinus). In de Middeleeuwen waren achtereenvolgens Plato en Aristoteles (deze laatste pas in de 13de eeuw) de grote autoriteiten. De strijd tussen realisme en nominalisme is niet anders dan een bepaalde vorm van de strijd tussen platonisme (objectieve realiteit van de begrippen) en de tegenstanders ervan, die meer aansluiting vonden bij Aristoteles. Tijdens de renaissance herleefde het platonisme in de Florentijnse Academie (Marsilio Ficino).

In de nieuwere wijsbegeerte zijn Descartes, Leibniz en Kant sterk geïnspireerd door Plato. In de 17de eeuw hebben de Cambridge platonisten in Engeland nieuwe belangstelling gewekt voor de leer van Plato. Verschillende moderne denkers verraden nog de diepe invloed die het platonisme in het algemeen op het Europese denken heeft uitgeoefend (bijv. Whitehead). Onder platonisme in de wiskunde verstaat men die wijsgerige opvatting volgens welke de wiskundige voorwerpen onafhankelijk van de wiskundige geest bestaan.

Schopenhauer, Arthur

Duits wijsgeer, die geldt als de klassieke vertegenwoordiger van het pessimisme.

Arthur Schopenhauer werd op 22 februari 1788 geboren in de vrijstaat Danzig (nu Gdánsk). zijn vader, Heinrich Floris Schopenhauer, was een rijke, kosmopolitische koopman met republikeinse sympathieën.

Zijn vrouw, Johanna Trosiener, was twintig jaar jonger dan hij.

12 jaar oud maakte Schopenhauer een grote reis die van 3 mei 1803 tot 25 augustus 1804 duurde en door Nederland, Engeland, Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk voerde. De reis was vooral voor zijn ontwikkeling als filosoof van belang. Hij zag de galeislaven in Toulon en zag wat gevangenschap was. Maar als gevangenschap een universeel gegeven is waar je ook zelf deel aan hebt, hoe kun je dat dan zien? Schopenhauer geloofde niet in een hemel van waaruit je het menselijk schouwspel kunt observeren, maar in zijn latere filosofie beschreef hij we de mogelijkheid van een goddelijke exstase zonder God. de wil kan zich tegen zichzelf keren en alleen oog worden. Zij ís dan niet meer, zij ziet alleen.

Het alleen oog zijn, dat wat Schopenhauer later het "wereldoog" noemde, ervoer hij ook tijdens de grote reis, en wel tijdens het bergbeklimmen. Vanaf de top van de berg zag hij niet meer de chaos van de wereld, de veelheid van kleine, afgescheiden objecten, maar één groot kleurrijk beeld, "de eeuwige herhaling en de eeuwige afwisseling van bergen en valleien, bossen en weiden en steden en dorpen".

In 1813 promoveerde Schopenhauer op zijn geschrift "Over de viervoudige wortel van de stelling van de toereikende grond". Later verhuisde Schopenhauer verhuisde naar Dresden waar hij vier jaar verbleef. Hier schreef hij "Over het zien en de kleuren" (1816) en zijn hoofdwerk "De wereld als wil en voorstelling" (1819).

Schopenhauer vergeleek de menselijke maatschappij ooit met een mand vol stekelvarkens die wegens de kou bij elkaar kruipen, maar dit niet kunnen doen zonder elkaar te steken. Die vergelijking gaat zeker op voor de verhouding tot zijn moeder. Schopenhauer was dan ook in het geheel niet salonfähig . In gezelschap deed hij bars de ene na de andere dwarse uitspraak. Hij was humeurig, ongeduldig, drammerig en zwartgallig en tot in het absurde overtuigd van zijn eigen genie.

Toen hij in 1919 als 31-jarige zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung af had, wist hij zeker dat hij het wereldraadsel had opgelost. En ook al werd het imposante boek met een oorverdovend stilzwijgen onthaald, hij twijfelde er geen moment aan dat alleen zijn wereldbeschouwing waar was. Zijn beroemde wijsgerige tijdgenoten Fichte, Schelling en bovenal de didactische geweldenaar Hegel onthaalde hij op bijtende schimpscheuten. Schelling maakte zich volgens hem schuldig aan "schaamteloze plompe sofismen", Fichte uitte "bedaarlijke nonsens" en "krankzinnig gebabbel" en Hegel was "een charlatan". Hun filosofie ontaardde in "Windbeutelei", pure speculatie die met de empirische werkelijkheid niets van doen had. Hij was, conform zijn pessimistische filosofie, wars van elk vooruitgangsdenken en revolutionair optimisme.

Pas toen hij in 1850 zijn Parerga und Paralipomena het licht deed zien, begon zijn werk het publiek te bereiken. Hij kreeg zowaar volgelingen die hij zonder spot discipelen en apostelen noemde. Een positieve kritiek in de Westminster Review van de tweede druk van Die Welt als Wille und Vorstellung in 1853 deed de rest. Via Engeland werd Schopenhauer ook wereldberoemd in Duitsland.

Drie jaar heeft Schopenhauer van zijn roem kunnen genieten. Op 21 september 1860 stierf hij rustig in zijn stoel.

Zijn filosofie was dan misschien, als we Eduard Hirschmann mogen geloven, het kind van zijn leven; hij werd niet zelf de verzinnebeelding van zijn filosofie. De blinde wil die ook door zijn lichaam joeg, bracht hij niet tot zwijgen. Hij had het niet in zich om de geresigneerde Boeddha van Frankfurt te worden, zijn hele leven bleef hij een koppige, onmogelijke eenzaat die hevig kon lijden onder zijn eenzaamheid maar tegelijk het gezelschap van stekelvarkens vermeed.

Schopenhauers denken speelde zich af in dialoog met Kant en stond sterk onder invloed van de Indische filosofie. De titel van zijn hoofdwerk geeft de kern van zijn gedachten al weer: De wereld is wil en voorstelling.

De wereld als voorstelling, is niets anders dan de leer van Kant, die zegt dat alle dingen ons slechts als verschijnselen gegeven zijn. Dit is in principe dezelfde waarheid die Plato uitdrukt in zijn vergelijking van de grot. Ook is het de waarheid die uitgedrukt wordt in de Indische veda´s: De zichtbare wereld is slechts een schijn zonder wezen, een illusie.

Dat de wereld voorstelling is, is een onweerlegbaar feit. Het is echter eenzijdig haar echter alleen maar als voorstelling te beschouwen. Dit gaat tegen al ons gevoel in. Kant ontkende de metafysica, maar Schopenhauer doet dit niet. Schopenhauer verstaat onder metafysica ook niet de wetenschap van alles van datgene wat buiten alle mogelijkheid van ervaring ligt. Schopenhauer zegt dat de uiterlijke en innerlijke ervaring op het juiste punt verbonden moeten worden.

Van buiten af kan het wezen der dingen nooit benaderd worden, men komt slechts tot namen en beelden. De enige plaats die toegang geeft tot het innerlijke wezen van de wereld ligt in onszelf, in het individu. Aan het individu is zijn lichaam op twee verschillende wijzen gegeven: Als voorstelling temidden van de andere objecten in de causale samenhang van alle verschijnselen, maar ook op een geheel andere wijze: Als dat aan elk ogenblik bekende iets, dat door het woord wil wordt aangeduid. De wilsdaad en de lichamelijke activiteit zijn hetzelfde. Het lichaam is de in ruimte en tijd geobjectiveerde wil.

Deze wil openbaart zich in onszelf en anderen als een blinde en onredelijke drift tot voortbestaan ondanks het feit dat het leven voornamelijk lijden is. Een verlossende uitweg uit dit lijden biedt slechts het opheffen van de eigen wil, waartoe de mens in staat is in de ethiek en in de kunst. Ook het boeddhisme kent dit afzien van de wil.

Tussen de wil en de voorstelling staan de ideeën, die Schopenhauer min of meer in de geest van Plato opvatte als modellen waarnaar de wil zich richt bij het doorlopen van de verschillende stadia in zijn ontwikkeling van anorganische natuur tot de mens. De ideeën zijn bovenindividueel en onvergankelijk en missen dus de beperktheid van de voorstelling, terwijl ze anderzijds niet "willen" en dus het egoïsme van de wil ontberen.

Op de aanschouwing van de ideeën berust volgens Schopenhauer de werking van de kunst en het schone. Ware  kunst is altijd afbeelding van de idee. Uitzondering vormt de muziek, die, aangezien ze geheel voorstellingsloos is, volledig onafhankelijk is van de wereld van de schijn en dus boven alle andere kunsten verheven: zij is afbeelding van de wil zelf.

In de mens komt de wil tot bewustzijn. Bijgevolg kan alleen de mens een keuze maken tussen een bevestiging en een ontkenning van de wil, tussen het egoïsme en het ascetisme dat de wereld als schijn doorziet. Alleen het laatste begrijpt werkelijk dat het ik, het individu, niets is en offert het individu dan ook op. Willen echter betekent niet-bevredigd zijn. Leven is willen; willen is lijden. dat is in het kort Schopenhauers pessimisme. Niet het geluk is het positieve, het werkelijke, maar de smart. het geluk kan slechts bestaan in tijdelijk vergeten dat we er zijn. het beste zou zijn niet te bestaan.

Wie hierin een pleidooi voor zelfmoord leest, aldus Schopenhauer, doet dat ten onrechte. Zelfmoord immers treft slechts het individu, dat schijn is, nog afgezien van het feit dat de zelfmoordenaar alleen de smart niet wil, maar eigenlijk wil leven. Zelfmoord is zinloos volgens Schopenhauer , omdat de wil zich terstond een nieuwe belichaming schept. Hij gelooft dus in een vorm van reincarnatie. Hier is ook duidelijk de Indische invloed op Schopenhauer te zien.

De wil bedient zich uitsluitend van het individu als een instrument en heeft als enig object de soort. De ontkenning van de wil culmineert dan ook in de vrijwillige en absolute seksuele onthouding, die consequent doorgevoerd, de ondergang van de soort ten gevolge moet hebben.

De geslachtsliefde is dus, als men het van een andere kant bekijkt, de meest voltooide manifestatie van de wil. Deze `metafysica van de geslachtsliefde´, een uniek verschijnsel in de geschiedenis van de filosofie, beschouwde Schopenhauer niet ten onrechte als een van zijn meest oorspronkelijke bijdragen aan de wijsbegeerte. Het blinde, irrationele wrede karakter van de wil vindt in de geslachtsdaad zijn hoogste bevestiging. Ook hier bedient de wil zich van de illusies van het individu ten einde zichzelf in de soort te verwezenlijken.

Schopenhauer meende dat het "Ding an sich", het wezen van de wereld, bepaald kon worden. Als individu maakt de mens, zo stelde hij, immers deel uit van de wereld en is hij dus niet gedoemd de wereld slechts als voorstelling te kennen. Hij doorschouwt haar van binnenuit door de intuïtie van "het meest innerlijke van zijn wezen", de wil.

Uit deze gedachtegang blijkt dat volgens Schopenhauer de wereld bestaat als voorstelling en als wil, zoals ook de titel van zijn hoofdwerk aangeeft. De wereld als wil mag echter niet geïdentificeerd worden met de wil van het individu. Deze is immers onderworpen aan ruimte, tijd en causaliteit, waarvan Kant heeft beweerd dat ze subjectief zijn en dus tot de wereld als voorstelling behoren.

De wereld als "Ding an sich", als wil, is echter ontheven van die subjectiviteit en heeft als kenmerken:

  1. dat ze in al haar manifestaties, die zich uitstrekken van de zwaartekracht tot de met bewustzijn gepaard gaande menselijke wil, altijd zichzelf gelijk blijft.
  2. dat ze onvergankelijk is, zodat alle dood en vernietiging schijn is.
  3. dat ze vrij is, terwijl de individuele wil, als behorend tot de wereld als voorstelling, absoluut gedetermineerd is.

Soefies

Naam voor verschillende mystieke stromingen in de islam. De beoefenaars leiden veelal een ascetisch leven; zij worden soefies genoemd, naar hun eenvoudige wollen kleed. De koran biedt slechts weinig aanknopingspunten voor mystieke beschouwing, maar naarmate de islam zich uitbreidde naar oost en west, groeide in islamitische kringen de invloed van de indische en christelijke mystiek. In de 11de eeuw begonnen zich mystieke derwisjorden te vormen. Een algemene trek van de uiteenlopende volksmystiek was de heiligen- en gravenverering. De geleerde mystiek ontwierp diepzinnige theorieën (met neoplatonische en boeddhistische invloeden). Daar de mystieke leringen leidden tot veronachtzaming van de uiterlijke godsdienstplichten en tot een zeer on-islamitisch  pantheisme, heeft de orthodoxe islam zich aanvankelijk sterk tegen het soefisme verzet. Door Al-Gazzali (gest . 1111) kwam echter tussen de orthodoxie en de gematigde mystiek een verzoening tot stand (Al-Ghazali,1966).

Bron: Kleine Winkler Prins

Steiner, Rudolf

(1861-1925) Oostenrijks wijsgeer, grondlegger van de antroposofie, verzorgde als medewerker aan het Goethe-Schiller Archiv te Weimar de uitgave van Goethes natuurwetenschappelijke werken. In 1902 nam hij als secretaris-generaal de leiding op zich van de Duitse sectie der Theosofische Vereniging. Zijn zelfstandige werkwijze veroorzaakte echter spoedig moeilijkheden met de internationale leiding en in 1913 werd Steiner met zijn aanhangers buiten de Theosofische Vereniging gesloten. In hetzelfde jaar werd de Anthroposophische Gesellschaft opgericht, die Steiner als "geestelijk leraar" erkende, en werd begonnen met de bouw van een eigen centrum, het Goetheanum te Dornach. In 1919 stichtte Steiner de eerste zgn. Freie Waldorfschule te Stuttgart. Na de brand van het Goetheanum (oudejaarsnacht 1922-1923) stichtte hij de Freie Hochschule für Geisteswissenschaft. Deze werd gehuisvest in het nieuwe Goetheanum, dat volgens architectonische principes van Steiner werd gebouwd. Steiner was een zeer veelzijdig begaafde persoonlijkheid. Zijn zeer omvangrijke schriftelijke nalatenschap is uitgegeven door zijn vrouw, Marie Steiner.

Thomas van Aquino

(of Aquinas) Scholastiek wijsgeer en theoloog, bijgenaamd doctor angelicus (engelachtige leraar) (1224/25-1274). Werd als kind aan de benedictijnen van Monte Cassino toevertrouwd. Studeerde in Napels en trad onder grote tegenstand van zijn familie in de pas gestichte orde der dominicanen. Hij studeerde vervolgens in Parijs en Keulen onder Albertus Magnus en doceerde in Parijs (1252-'59). In 1260 naar Italië teruggeroepen werd hij predicator generalis van zijn orde en lector aan het pauselijk hof te Orvieto. Van 1269-'72 doceerde hij weer aan de theologische faculteit te Parijs en verhuisde in 1272 naar Napels om daar het studium generale van de dominicanen te leiden. Naar het concilie van Lyon ontboden, overleed hij op reis daarheen. Tijdens dit met reizen vervulde korte leven heeft Thomas van Aquino talrijke werken geschreven. De voornaamste zijn: Summa theologica, Summa contra gentiles, verschillende questiones (de veritate, potentia, de anima, de malo, quodlibetales enz.). Verder schreef hij nog een 50-tal kleinere werken (opuscula), waaronder een verdediging van de bedelorden en de religieuze staat, een handleiding voor het bestuur van een vorst e.a.

In de wijsbegeerte heeft Thomas van Aquino zich uitdrukkelijk, meer dan tot dan toe gebruikelijk was, naar Aristoteles gewend; de alles omspannende actus potentia-leer getuigt daarvan. Niettemin maakt hij van de participatie- (deelhebbing-) gedachte, die langs Augustinus van Plato stamt, een centraal punt. Al is hij in vele opvattingen afhankelijk van Aristoteles, Plato, Augustinus en de Arabische scholastiek, in zijn eigen synthese is hij oorspronkelijk. Fundamenteel is in de zijnsmetafysiek de analogie in het zijn. Zijn Godsbewijzen, scheppingsleer en uitwerking van de goddelijke eigenschappen hangen hiermee samen. In de natuurfilosofie volgt hij Aristoteles' materia forma-leer. In de mens ziet hij de redelijke ziel als enige vorm van het lichaam; uit de denkactiviteit van de ziel besluit hij, dat de ziel op zich een onstoffelijke, onsterfelijke geest is. Vanuit de natuur van de ziel ziet hij de verschillende vermogens voortkomen, waardoor de ziel haar activiteit uitoefent. Zijn ethiek is nauw aan de moraal van de christelijke openbaring vastgehecht. De mens ziet hij als een zich redelijk naar God bewegend wezen, wiens einddoel de zalige aanschouwing Gods is. Zijn deugdenleer is een indrukwekkende architectuur, waarvan de caritas, de liefde tot God, het grondmotief is. Met elementen uit Aristoteles en Augustinus ontwierp hij een leer van het algemene welzijn van wat toen staat kon worden genoemd, en hij schetste het ideaal van een christelijke staatsbestuurder.

Thomisme

De richting in theologie en wijsbegeerte, die aansluit bij Thomas van Aquino. Kenmerkt zich door het streven om wijsbegeerte en geloof te coördineren en munt uit door systematische eenheid, waarin de grondbegrippen tot in alle onderdelen consequent worden volgehouden. Van de andere Middeleeuwse christelijke systemen ( augustinisme , scotisme e.a.) onderscheidt het thomisme zich door een uitdrukkelijk teruggrijpen op Aristoteles. Aanvankelijk fel bestreden, werd het al spoedig door de dominicanen, Thomas' medebroeders, aanvaard en met succes verdedigd. Het beleefde in de 16de eeuw een renaissance (Cajetanus e.a.), en het vormt als neothomisme sinds het laatste kwart van de 19de eeuw de voornaamste richting binnen de opbloeiende neoscholastiek. Paus Leo XIII (enc. Aeterni Patris, 1879) wees het thomisme aan als de beste leidraad bij het bestuderen van filosofische en theologische vraagstukken.

Tijd

De continue verandering die zich in de overgang van heden tot verleden voltrekt (vgl. de begripsbepaling van Aristoteles: het getal van de beweging naar het vroeger en later). Het meten van de tijd naar de stand van de zon, de wisseling van dag en nacht en van seizoenen behoort tot de eerste en elementaire behoeften van de mens, zich in de wereld te oriënteren. Deze tijdmeting heeft zich ontwikkeld tot de exacte vorm van onze tijd. Tegenover de kwantificering van de tijd, waarin deze gedacht wordt als een continu, homogeen verloop, staat het beleven van de tijd als telkens kwalitatief anders. Dit heeft aanleiding gegeven tot het onderscheid tussen objectieve en subjectieve tijd (de eerste meetbaar, homogeen en voor allen gelijk, de laatste kwalitatief telkens anders en in duur verschillend).

De moderne natuurwetenschap neemt een onlosmakelijk verband aan tussen ruimte en tijd en vat de tijd op als vierde dimensie (relativiteitstheorie). Reeds Augustinus was geneigd de tijd te subjectiveren en in nauw verband te stellen met de menselijke geest. Deze subjectivering is door Kant evenals t.a.v. de ruimte radicaal doorgevoerd: tijd zou geen eigenschap van de dingen zijn, noch minder een zelfstandig iets, maar een noodzakelijke vorm, waarin wij alle gebeuren in ons en indirect ook buiten ons opvatten (tijd is een vorm van aanschouwing).

Typologie

In de psychologie algemene naam voor systemen die de mensen in verschillende categorieën of typen verdelen op basis van psychische en/of lichamelijke kenmerken. Er zijn enkele zuiver psychologische typologieën, d.w.z. typologieën waarin de mensen uitsluitend volgens psychologische categorieën worden ingedeeld; zo bijv. die van Heymans en Jung. De meest invloedrijke typologieën zijn echter die, waarin wordt uitgegaan van de constitutietypen , m.n. die van Kretschmer en Sheldon . Kenmerkend voor deze theorieën is, dat zij een samenhang trachten te demonstreren tussen lichamelijke en psychische kenmerken.

Voorstelling

In filosofie en psychologie veel gebruikte term voor iets dat men met zijn "geestesoog" ontwaart, dat men "in gedachten" voor zich ziet; soms synoniem voor "denkbeeld". Bij sommige auteurs omvat het begrip voorstelling de gehele ervaarbare werkelijkheid (Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung). Gebruikelijker is, om voorstelling van waarneming te scheiden; waarneming leeft "dingkarakter", voorstelling heeft "beeldkarakter". Alsdan kan men de voorstelling omschrijven als het resultaat van een innerlijke gerichtheid (intentie) op het actualiseren van oorspronkelijk aan de waarneming ontleende gegevens, resp. inhouden.

Men pleegt in de psychologie diverse soorten voorstelling van elkaar te onderscheiden. Zo verschilt bijv. de visuele voorstelling van de auditieve door het waarnemingsgebied, waaruit zij haar materiaal put. De herinneringsvoorstelling onderscheidt zich van de fantasievoorstelling doordat zij een vroeger waargenomen object zo getrouw mogelijk wil actualiseren, terwijl in de fantasie de band met de waarneembare werkelijkheid opzettelijk losser wordt gemaakt. In hallucinaties verdwijnt blijkbaar het verschil tussen voorstelling en waarneming.